Fragment uit een Levensboek

(...) We moesten iedere ochtend vroeg op appèl. Dat betekent met alle mensen op een rijtje in de houding staan. We stonden in rijen van tien. We telden in het Japans tot tien. Vervolgens moesten we buigen voor de Japanner. We riepen dan “Nore” en dan “Kire” en dan buigen en dan weer “Nore”. Dat was de ochtendgroet. Dan hoorde ik de vrouwen op de eerste rij vloeken. Ze zeiden “godverdomme” en “klootzak”. De Jappen waren kleine rotkereltjes. Ik als meisje was al groter dan de Jap. Het was destijds een klein volk. Na de oorlog heb ik Japanners ontmoet in Singapore. Zij vertelden mij dat het Japanse volk na de oorlog gemiddeld 10 centimeter is gegroeid, als gevolg van gewijzigde voeding.

Ik ben veel gebeurtenissen in het kamp vergeten. Ik heb de nare dingen weggestopt. Het is nu lang geleden. In de loop van de jaren gaan de scherpe kanten ervan af. Er zijn na de oorlog van het kamp foto’s gemaakt, maar die heb ik niet. Ik had daar geen interesse voor. Ik hoefde geen herinnering aan het kamp. Het was al erg genoeg. Later dacht ik, had ik toch ook maar foto’s om aan anderen te laten zien. Met foto’s erbij kan je het toch makkelijker vertellen en kunnen de mensen het beter begrijpen. Ik weet dat er wel tekeningen bewaard zijn gebleven. Ik herinner mij een foto die van mij is gemaakt bij het hek van het kamp. Op de foto heb ik lange magere benen. (...)